Doorverkoop

Hoe dient art. 13 WBR te worden toegepast in combinatie met de tariefverlaging in situaties waarin is overeengekomen dat de koper het voordeel dat voortvloeit uit de toepassing van art. 13 WBR afstaat aan de verkoper.

Vastgesteld dient te worden dat de vraag welk bedrag de koper aan de verkoper dient te betalen (6% of 2%) niet in algemene zin te beantwoorden is en dat het antwoord zal afhangen van hetgeen partijen hieromtrent zijn overeengekomen en van de redelijke uitleg die aan deze overeenkomst kan worden gegeven.

Hieronder wordt het antwoord verder uitgewerkt.

Toelichting:
Bij de meeste leveringen waarbij zich deze vraag voordoet, zal het gaan om interpretatie van artikel 1 lid 3 van het notaris-model koopcontract en artikel 1 lid 2 van het bij de KNB bekende NVM-model koopcontract.

Deze bepalingen luiden als volgt:
Notaris-model: "Ingeval de overdrachtsbelasting voor rekening van Koper is en de grondslag voor de overdrachtsbelasting kan worden verminderd als bedoeld in artikel 13 Wbr, zal Koper aan Verkoper uitkeren het verschil tussen het bedrag, dat aan overdrachtsbelasting zou zijn verschuldigd zonder bovenbedoelde vermindering en het werkelijk aan overdrachtsbelasting verschuldigde bedrag."

NVM-model: "Indien de overdrachtsbelasting voor rekening van koper komt en door koper met succes een beroep kan worden gedaan op vermindering van de heffingsgrondslag, zal koper aan verkoper wel/niet*) uitkeren het verschil tussen enerzijds het bedrag dat aan overdrachtsbelasting verschuldigd zou zijn zonder vermindering van de heffingsgrondslag en anderzijds het werkelijk aan overdrachtsbelasting verschuldigde bedrag. Indien partijen overeenkomen dat bedoeld verschil aan verkoper wordt uitgekeerd zal dit via de notaris gelijktijdig met betaling van de koopsom plaatsvinden."


Volgens vaste jurisprudentie wordt bij de interpretatie van een bepaling in een obligatoire overeenkomst de Haviltex-norm toegepast: het komt aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 (Haviltex); zie ook HR 19 oktober 2007, NJ 2007, 565 (Vodafone/ETC)).

In casu kunnen voormelde bepalingen op tweeërlei wijzen worden uitgelegd:

  • de koper dient 2% te vergoeden aan de verkoper;
  • de koper dient 6% te vergoeden aan de verkoper.
  • De eerste uitleg lijkt het meest bij de bewoordingen van de bepalingen aan te sluiten, de tweede uitleg lijkt het meest bij de bedoeling van partijen aan te sluiten.

    Indien partijen het niet eens zijn over het antwoord op de vraag of de koper 2% of 6% aan de verkoper dient te betalen, kan de notaris niet op de stoel van de rechter gaan zitten.

    Conclusie

    Lukt het niet om partijen tot elkaar te brengen, dan zal de notaris slechts tot uitbetaling van het verschil tussen beide percentages overgaan wanneer vaststaat aan wie dit toekomt. Hiervan is in ieder geval sprake wanneer de notaris van beide partijen een gelijkluidende betalingsopdracht heeft ontvangen of wanneer de rechter hierover een uitspraak heeft gedaan.